In de NK-collectie zijn groepen van voorwerpen te vinden die voor de oorlog tot één verzameling hebben behoord. De volgende collecties worden hieronder toegelicht:

Chabot
Goudstikker
Gutmann
Koenigs
Lanz
Larsen
Mannheimer
Mautner
Von Pannwitz

Collectie J.J.M. Chabot, Montreux/Brussel

De niet joodse collectioneur Chabot had voor de oorlog verschillende schilderijen in bruikleen gegeven aan het Rijksmuseum te Amsterdam en het Centraal Museum te Utrecht. In 1942 werden deze bruiklenen opgevraagd om ter verkoop op de kunstmarkt te worden aangeboden.
Een deel van de collectie werd op 1 september 1940 bij het Haagse veilinghuis Van Marle en Bignell geveild. Hoogtepunt, ook voor de pers, was de veiling van Rembrandts Clementie van Titus, die voor 300.000 gulden van eigenaar wisselde. De totale opbrengst van de veiling bedroeg 586.050 gulden.

Op 13 oktober 1950 schrijft mr. J. Jolles over de zaak Chabot: "Het is niet nodig dat de schilderijen kwestie Chabot in behandeling wordt genomen, daar aangenomen wordt dat de bewuste schilderijen vrijwillig door de Heer Chabot zijn verkocht, en mede in verband met het feit dat deze schilderijen niet door de heer Chabot of diens erven worden geclaimd." Een briefwisseling tussen de SNK en de erven Chabot is niet aangetroffen.

terug naar boven

De kunsthandel J. Goudstikker NV en de kunsthandel Goudstikker/Miedl

De kunsthandel J. Goudstikker NV was één van de grootste Nederlandse kunsthandels voor de Tweede Wereldoorlog. In 1919 trad Jacques Goudstikker (1897-1940) toe tot het bedrijf van zijn vader, dat hij in 1931 zou omzetten in een naamloze vennootschap waarvan hijzelf de directeur en belangrijkste aandeelhouder was. Op 16 mei 1940 kwam Jacques Goudstikker tragisch om tijdens zijn vlucht naar Engeland. Zijn executeur testamentair was zes dagen eerder overleden. In de kunsthandel bevonden zich op dat moment circa 1113 genummerde schilderijen en een aantal ongenummerde. De kunstwerken uit deze voorraad worden in de rapportage aangegeven met J. Goudstikker (kunsthandel). Indien de inkoopdatum van een schilderij uit de voormalige collectie van de kunsthandel J. Goudstikker niet bekend is, maar het betreffende werk vermeld is in het zakboekje van Jacques Goudstikker, waarin hij zijn handelsvoorraad op het ogenblik van zijn vlucht naar Engeland had opgetekend, is bij de herkomstoverzichten 10 mei 1940 vermeld als datum waarvóór het zeker in zijn bezit gekomen was.

Op 3 juni 1940 werd A.A. ten Broek benoemd tot directeur. Op 13 juli 1940 werden door Ten Broek twee contracten getekend waarbij de eigendommen van de firma aan twee partijen werden verkocht: Hermann Göring kocht alle schilderijen en kunstvoorwerpen tegen een koopprijs van f 2.000.000,-, terwijl de Duitse bankier Alois Miedl het resterende deel van de activa van de firma, waaronder het onroerend goed, heeft gekocht voor f 550.000,-. Bij deze transactie kocht Miedl tevens het recht op de handelsnaam J. Goudstikker. Alles wat na 13 juli 1940 is verkocht, wordt in deze rapportage aangeduid met Goudstikker/Miedl (kunsthandel). Onderhandelingen over rechtsherstel (van de transactie met Miedl) resulteerden uiteindelijk in 1952 in een schikking. Deze schikking, het zogenaamde 'minnelijk rechtsherstel', bewerkstelligde dat kunstwerken die onderwerp waren geweest van de transactie met Miedl werden gerestitueerd.

Ten aanzien van de oude voorraad van de kunsthandel J. Goudstikker is door de erven Goudstikker in 1998 een claim ingediend. Deze is door de Staatssecretaris van OCenW afgewezen.Ten aanzien hiervan lopen thans gerechtelijke procedures.

terug naar boven

Collectie F.B.E. Gutmann (1886-1944)

De van oorsprong Duitse bankier en kunstverzamelaar F.B.E. Gutmann vestigde zich samen met zijn vrouw L.E. Gutmann-Von Landau in 1919 in Nederland. Hij nam in 1924 de Nederlandse nationaliteit aan. Voortbouwend op de collectie van de vader van Friedrich, Eugen Gutmann, bracht het echtpaar in hun landhuis "Bosbeek" te Heemstede een groot aantal kunstvoorwerpen bijeen.

Gedurende de jaren 1939 tot 1942 brachten de omstandigheden het echtpaar Gutmann ertoe de kunstcollectie te verkopen. Zo stuurde de heer Gutmann in 1939 enkele van de meest waardevolle schilderijen voor opslag naar Parijs, waar deze tijdens de oorlog werden geconfisceerd. In datzelfde jaar bood de heer Gutmann een aantal objecten bij de kunsthandel Rosenberg ter verkoop aan, die in 1940 werden aangekocht door Göring. Vervolgens verkocht de heer Gutmann de overgebleven kunstvoorwerpen aan de Duitse kunsthandelaren Böhler en Haberstock. Dit vond plaats in 1941 en 1942 bij drie verschillende overeenkomsten. In 1943, voordat zij een vluchtpoging konden realiseren, werd het echtpaar aangehouden. De heer en mevrouw Gutmann kwamen beiden om in vernietigingskampen.

Na de oorlog zijn slechts enkele van de naar Parijs gebrachte schilderijen teruggevonden. Deze werden aan de familie gerestitueerd, evenals de andere voorwerpen die terugkwamen uit Duitsland en waarvan vaststond dat deze niet waren verkocht. Vele van de voorwerpen die Böhler en Haberstock hadden aangekocht zijn na de oorlog gerecupereerd. Onenigheid tussen de Stichting Nederlands Kunstbezit en de erfgenamen van het echtpaar Gutmann over het recht op restitutie leidde in 1952 tot een uitspraak van de rechtsherstelrechter. Deze bepaalde dat de bewuste koopovereenkomsten niet onder directe dwang, maar wel "onder invloed van de speciale omstandigheden" tot stand waren gekomen en daarom voor "herstel" in aanmerking kwamen. De erven kregen het recht op teruggave toegewezen onder voorwaarde van overdracht van de tijdens de oorlog ontvangen verkoopprijs aan de Staat. Dit laatste was op grond van de vaststelling door de rechter dat het ontvangen bedrag ook daadwerkelijk ten goede was gekomen aan het vermogen van F.B.E. Gutmann. Aan deze uitspraak is vervolgens in de loop van de jaren '50 uitvoering gegeven, en vele voorwerpen werden gerestitueerd. Een groot aantal voorwerpen met herkomst Gutmann bevindt zich nog altijd in de huidige NK-collectie. Inmiddels heeft één van de erfgenamen aanspraken doen gelden op deze voorwerpen.

terug naar boven

Collectie F.W. Koenigs (1881-1941)

De van oorsprong Duitse bankier en verzamelaar Franz W. Koenigs vestigde zich in 1923 in Haarlem en verkreeg begin 1939 het Nederlands staatsburgerschap.
Vanaf de jaren twintig bracht Koenigs een verzameling tekeningen van oude meesters bijeen welke uiteindelijk 2.671 bladen zou omvatten. Daarnaast verzamelde Koeinigs schilderijen, waaronder een groot aantal werken van Rubens. In 1933 gebruikte Koenigs zijn collectie als onderpand voor een lening bij de Joodse bank Lisser & Rosenkranz. De kunstwerken werden in 1935 in bruikleen gegeven aan het Museum Boymans te Rotterdam.
Onder dreiging van de naderende invasie ging de bank Lisser & Rozenkranz over tot liquidatie. Koenigs was niet in staat de lening terug te betalen, waardoor zijn kunstcollectie op 2 april 1940 volledig eigendom werd van de bank. De gehele tekeningen collectie en twaalf schilderijen werden vervolgens door Lisser & Rozenkranz verkocht aan D.G. van Beuningen, die ze in Museum Boymans liet. De overige 35 schilderijen werden door de kunsthandelaar Jacques Goudstikker op 19 april 1940 in Rotterdam opgehaald.
Op 16 mei 1940 overleed Jacques Goudstikker. Via de kunsthandel Goudstikker/Miedl werden verschillende schilderijen doorverkocht aan onder andere H. Göring en H. Hoffmann.

Literatuur
Albert J. Elen, Missing Old Master Drawings from Franz Koenings collection claimed by the State of the Netherlands, The Hague, 1989, pp.8-25

terug naar boven

Collectie O. Lanz (1865-1935)

De in Amsterdam woonachtige Zwitserse hoogleraar chirurgie Otto Lanz bracht een belangrijke collectie vroege Italiaanse kunst bijeen. In de periode juli-oktober 1934 werd in het Rijkmuseum op de tentoonstelling Italiaansche kunst in Nederlandsch bezit een belangrijk deel van onder andere zijn verzameling getoond. Na het overlijden van Otto Lanz op 23 maart 1935 werd de collectie bestaande uit schilderijen, beeldhouwkunst, meubels en keramiek (circa 430 objecten) door de erven Lanz in bewaring gegeven aan het Rijksmuseum. Gezien de financiële situatie van de erfenis van Otto Lanz leek verkoop onvermijdelijk, al voordat Lanz was overleden lijkt hij zich met de verkoop bezig te hebben gehouden onder de voorwaarde dat de collectie intact zou blijven. Kort na de inval van de Duitsers in mei 1940 dienen zich twee Duitse kopers aan: Hitler en Göring. Door bemiddeling van H. Posse (directeur Staatliche Gemäldegalerie Dresden), W. Wickel (Sonderreferat Kulturaustausch) en de Nederlandse kunsthandelaar N. Katz wordt de collectie, door de in Zwitserland wonende weduwe Lanz, in april 1941, voor 2 miljoen Zwitserse Franken en 350.000 Nederlandse guldens, aan Hitler verkocht. Haar in Nederland woonachtige zoon G.B. Lanz en de Notaris C.G. Pouw voerden de onderhandelingen in Nederland. De erven Lanz schenken in februari 1941 vier voorwerpen aan het Rijksmuseum.

Literatuur
- H.W. van Os, 'Otto Lanz en het verzamelen van vroege Italiaanse kunst in Nederland', Bulletin van het Rijksmuseum, 1978, jaargang 26, nr.4
- Tent.Cat. Italiaansche kunst in Nederlandsch bezit, Stedelijk Museum, Amsterdam, juli 1934
- R. M. Seydewitz, Die Dame mit dem Hermelin, Berlijn, 1963, p.139-146
- R. M. Seydewitz, Das Mädchen mit der Perle, Berlijn, 1972, p.156-165

terug naar boven

Collectie H.L. Larsen (overleden 1937)

Een deel van de collectie schilderijen van de op 3 november 1937 overleden Hans Ludwig Larsen werd door zijn weduwe, mevrouw S. Larsen-Menzel, op 6 juli 1939 aan het Leidse museum De Lakenhal in bruikleen gegeven.
In 1943 werden de schilderijen uit de collectie Larsen, in opdracht van de Verwalter M.H.H. Franssen, overgebracht naar het Haagse veilinghuis Van Marle en Bignell.
Uit de proefdruk van de veilingcatalogus blijkt dat de schilderijen op 25 januari 1943 geveild zouden worden. Op 14 januari 1943, vóór de feitelijke veiling, werd een aantal schilderijen verkocht aan E. Göpel. Hij koopt de schilderijen voor het Führermuseum in Linz. In de officiële veilingcatalogus ontbreken als gevolg daarvan de lotnummers van de aan Göpel verkochte schilderijen.
Uit de beschikbare naoorlogse correspondentie van de Stichting Nederlansch Kunstbezit, het Nederlandsch Beheersinstituut en de executeur testamentair van de nalatenschap Larsen, mr. B.P. Gomperts, blijkt dat de gerecupereerde schilderijen uit de collectie Larsen, tegen betaling van
f 82.895,- geresititueerd konden worden aan de erven Larsen. In een schrijven van 23 juli 1947 zag de heer Gomperts af van rechtsherstel.
In deze deelrapportage zijn negen schilderijen opgenomen die door mevrouw Larsen-Menzel in 1939 aan De Lakenhal in bruikleen zijn gegeven. Daarnaast worden er twee schilderijen behandeld die niet in bruikleen zijn gegeven aan De Lakenhal maar wel zijn ingebracht bij veilinghuis Van Marle en Bignell.

In het kader van het Museum Onderzoek (Nederlandse Museum Vereniging) wordt door museum De Lakenhal uitgebreid archiefonderzoek verricht naar de collectie Larsen en de relatie met De Lakenhal.

terug naar boven

Collectie Fritz Mannheimer (1890 - 1939)

De uit Duitsland afkomstige bankier Dr. Fritz Mannheimer was een groot verzamelaar van kunstvoorwerpen. Hij was tevens vennoot van de Amsterdamse vestiging van de Mendelssohn & Co bank. In 1936 werd hij tot Nederlander genaturaliseerd.
Mendelssohn & Co. verleende Mannheimer een onbeperkte credietfaciliteit die hij onder andere gebruikte voor zijn kunstaankopen. Al in 1934 had Mannheimer een aanzienlijke schuld aan de bank. Mannheimer en Mendelssohn & Co. kwamen overeen dat de volledige kunstverzameling van Mannheimer in eigendom werd overgedragen aan de Artistic and General Securities Company Limited1. Deze gaf de collectie op haar beurt in bruikleen aan Mannheimer. Ondanks de afspraak dat Mannheimer zou stoppen met verzamelen groeide de collectie ook na 1934 gestaag. Bij zijn dood was de vordering van de bank op Mannheimer circa dertien miljoen gulden.
In 1939, kort na het overlijden van Mannheimer, raakte Mendelssohn & Co. in financiële problemen en werd surséance van betaling aangevraagd voor de vennootschap en voor elk van de vennoten afzonderlijk. Curator Korthals Altes liet onderzoeken welke kunstvoorwerpen in het huis van Mannheimer aan de Hobbemastraat 20 eigendom waren van Artistic en welke Mannheimer ná 1934 had gekocht. Bij deze inventarisatie bleek tevens dat verschillende andere kunstvoorwerpen op naam van mevrouw M. Mannheimer-Reiss naar Frankrijk en Engeland waren overgebracht. De geldigheid van deze transactie werd door de curator betwist. Kort na de Duitse inval toonden verschillende Duitse kopers interesse in de collectie Mannheimer. Uiteindelijk werd de collectie via de Dienststelle Mühlmann door Hitler gekocht. Ook de schilderijen en tekeningen die op naam van mevrouw Mannheimer werden bewaard vielen binnen deze transactie. Mevrouw Mannheimer verbleef tijdens de oorlog in New York.
Na de oorlog werd de voormalige collectie Mannheimer door de Amerikanen in Duitsland in beslag genomen en conform de akkoorden van Potsdam overgebracht naar Nederland en Frankrijk.
Mevrouw Mannheimer deed afstand van een deel van de naar Frankrijk gerecupereerde kunstwerken. De betrokken partijen kwamen overeen dat zowel Artistic als de curator af zouden zien van aanspraken tot rechtsherstel.

1. M.D. Haga, 'Mannheimer, de onbekende verzamelaar', Bulletin van het Rijksmuseum, Amsterdam 1972, jaargang 22 nr.2/3

Literatuur
E.J. Korthals Altes, Verzameling Mannheimer, Amsterdam 1975. In: Bibliotheek Rijskmuseum Amsterdam nr.512 B2

terug naar boven

Collectie W. Mautner (1889-1944)

Dr. Wilhelm Mautner, bankier van beroep was ruim voor de Tweede Wereldoorlog uit Wenen naar Nederland gekomen. Hij had geen kinderen en was ongehuwd. Zijn familie bestond uit een zuster en een broer die in Engeland woonden en een broer Dr. Franz H. Mautner in Gambier, Ohio U.S.A. Hij verzamelde schilderijen en zoals veel verzamelaars in die dagen, verkocht hij ook regelmatig.
Op 22 Juli 1941 maakt Mautner een nieuw testament waarin hij zijn broer tot enig erfgenaam benoemd, waarschijnlijk met de bedoeling dat zijn erfenis niet als feindvermögen kan worden geconfisceerd als hij het aan familie achterlaat die in Engeland woont.
In februari 1942 verhuist Mautner bij de gedwongen verhuizingen van Joden naar de Tugelaweg te Amsterdam. Hij geeft een groot deel van zijn inboedel en schilderijen in bewaring bij de verzamelaar Dr. J van Dongen op het Museumplein. Deze bewaart alles tot na de oorlog.
Op 15 december 1943 wordt Dr. Mautner via Westerbork weggevoerd. Daarvoor heeft hij zijn vriend Wetzlar gevraagd een schilderij van Brueghel (NK2297) voor hem te verkopen. Het schilderij is in 1943 aan Walter Kadzik te Wenen verkocht. Deze verkoopt het later aan Ludwighafen. Op 25 februari 1949 verklaart Wetzlar aan het Commissiariaat Generaal van de Nederlandsche Economische Belangen in Duitsland dat de heer Mautner voor dit schilderij volledig betaald werd.
Wilhelm Mautner overlijdt in Auschwits ca. 29 september 1944.

Uit het beheersdossier blijkt dat na de oorlog Mautners erfenis minutieus is afgehandeld door zijn executeur testementair. Wetzlar is bij deze afhandeling behulpzaam onder meer in een delicate zaak aangaande een schilderij dat Mautner in de oorlog had gekocht en dat afkomstig bleek te zijn van een omgekomen jood (zonder dat Mautner dit wist) en inzake een geldbedrag dat Mautner zelf voor iemand in bewaring had genomen.

terug naar boven

Collectie C. von Pannwitz

De Berlijnse advocaat Dr. Walter von Pannwitz bouwde in de jaren 1905-1920 een belangrijke verzameling schilderijen en kunstnijverheid op. Hij werd daarbij geadviseerd door H. Bode en M. Friedländer. Na zijn dood in 1920 verhuisde zijn weduwe Catalina von Pannwitz, Argentijns staatsburger, naar Nederland alwaar zij de buitenplaats "De Hartekamp" in Heemstede betrok. In 1925 werd de verzameling beschreven door Friedländer en Falcke.
In 1940 verkocht Catalina von Pannwitz door bemiddeling van F. Gutmann vijf schilderijen aan Göring die er vervolgens voor zorgde dat zij een uitreisvisum voor Zwitserland kreeg.
Na de oorlog meldde zij schriftelijk aan de SNK dat zij geen prijs stelde op teruggave van de schilderijen. Een rol hierbij kan gespeeld hebben dat het bedrag waarvoor zij de schilderijen aan Göring verkocht en dat zij inderdaad ontvangen heeft, destijds als "uitzonderlijk hoog" werd bestempeld.

terug naar boven